Algemene Adviezen | |||||||||||||
|
Persoonlijke bescherming Het is aan te bevelen tijdens het droog(schuren) een geschikt stofmasker (P1 of P2) te dragen om inademing van fijne stofdeeltjes te vermijden. Bij het schuren van producten die lood- of chromaatdeeltjes bevatten dient altijd een geschikt ademhalings- beschermingsmiddel (stoffilter P2) gedragen te worden. Bij droog schuren van een antifouling altijd stofmasker dragen. Het aanbrengen en drogen van verf dient plaats te vinden op goed geventileerde plaatsen met inachtneming van de juiste beschermingsmaatregelen. Voorkom dat verf op uw huid of in de ogen komt. Indien goede ventilatie niet mogelijk is draag dan een geschikt koolstofmasker om inademing van oplosmiddeldampen te voorkomen. Ontvetten Voordat u gaat schuren moet de ondergrond eerst schoon en vetvrij zijn. Het meeste vuil kan in het algemeen verwijderd worden met water en ammoniak.
Schuren Goed schuren is van belang om een optimale hechting tussen de lagen en een gladde en strakke ondergrond te verkrijgen. Schuur elke aangebrachte laag voordat de volgende laag wordt aangebracht, tenzij anders is aangegeven. Iedere ondergrond vereist de juiste keuze van type schuurpapier. Kale oppervlakken, primers, grondverven en plamuren dienen droog geschuurd te worden om het inbrengen van vocht in de ondergrond te vermijden. Schuren tussen de aflaklagen kan het beste met fijn schuurpapier en water gebeuren. Voorkomen dient te worden dat schuurkrassen later nog in de aflak zichtbaar blijven. Een aanbeveling voor het type schuurpapier en korrelgrofte wordt in de beschreven systemen gegeven. Werkomgeving Zorg ervoor dat het te behandelen oppervlak droog is en ontdaan van vuil, vet, olie, roest, stof en andere ongerechtigheden. Werk zo veel mogelijk in een tocht-, stof- en vochtvrije ruimte. Schilder niet in de volle zon of onder vochtige omstandigheden. Denk hierbij ook aan optrekkend vocht na het schilderwerk. Vocht kan op de nog niet aangedroogde verflaag slaan, waardoor deze mat wordt. 2 componenten aflakken zijn op dit punt extra gevoelig. De relatieve luchtvochtigheid mag maximaal 85% zijn, 2 componenten aflakken dienen bij voorkeur onder de 70% relatieve luchtvochtigheid te worden aangebracht. Door plaatsing van een hygrometer in de werkomgeving kan de relatieve luchtvochtigheid worden gemeten. De meest ideale verwerkingstemperatuur van de omgeving, het te lakken object en de verf is 15-20 C. Let erop dat de temperatuur van de verf, het object en de omgeving geen grote onderlinge afwijking vertoont. Dit kan het verfwerk nadelig beïnvloeden.Voor 1 component producten geldt een minimale casco- en verwerkingstemperatuur van 5 C., voor 2 componenten producten is dit 10-12 C. Verwerking van de verf beneden deze temperaturen kan droging en doorharding nadelig beïnvloeden, terwijl de mechanische eigenschappen niet of pas in een later stadium worden bereikt. De temperatuur van het te behandelen oppervlak dient minimaal 3 C boven het dauwpunt te liggen. Het dauwpunt is de temperatuur waarbij lucht met een bepaalde relatieve luchtvochtigheid condenseert. Controleerde ondergrond voor het schilderen op eventueel aanwezige vocht. Denk bij schilderwerk boven het hoofd op koude(re) dagen ook aan mogelijke condensvorming door neerslag van warme uitademingslucht op het koude casco. |
Verfgereedschap Gebruik uitsluitend goed, schoon en droog gereedschap. In het algemeen geeft verwerking met schone, langharige, slappe kwasten van goede schilderskwaliteit de beste eindresultaten. Door het aanbrengen met een goede kwast zal de verf niet alleen mooier uitvloeien, maar zorgt er tevens voor dat voldoende laagdikte wordt aangebracht. Dit is vooral van belang voor de beschermende eigenschappen en glansbehoud van de verf. Doordat met de roller slechts een beperkte laagdikte wordt gehaald (50 tot 75% van de laag bij kwastverwerking), is het raadzaam in ieder geval een extra laag aan te brengen. Gebruik bij rolverwerking van 2 componenten producten uitsluitend nylonrollers of schapenvachtrollers. Deze rollertypes zijn bestand tegen de aanwezige (scherpe) oplosmiddelen. 1 Component grondlagen kunnen met een schuimroller of perlon roller worden aangebracht. Voor het fijne lakwerk kunnen zeer fijne schuimrollers of nietpluizende mohair rollers worden gebruikt (bij voorbeeld moltopren superfijn en velours). Verwerking met de roller kan tot vorming van een zgn. "sinaasappelhuid" leiden. Voor blanke producten wordt verwerking met de roller afgeraden. Verwerking Schilder nooit te dik om doordrogingsproblemen of schroeien van de verf te voorkomen. Er kunnen beter twee dunne lagen aangebracht worden dan één dikke. Verdeel de verf goed en gelijkmatig. Verdun de verf niet meer dan noodzakelijk is. Te veel verdunning veroorzaakt zakkers en te weinig laagdikte, waardoor te weinig bescherming wordt verkregen en/of snel glansverlies optreedt. Te weinig verdunning kan van invloed zijn op de vloeiing. Gebruik slechts de geadviseerde verdunningen. De mate waarin verdund moet worden is o.a afhankelijk van de temperatuur van de verf en de omgeving. De vermelde percentages gelden als algemene leidraad. Vermijd het gebruik van andere toevoegingen. Deze toevoegingen verstoren de balans van vloeiing, droging, hardheid, kleurvastheid en glans van de verf. Gebruik voor schilderwerk op hetzelfde oppervlak altijd aflakken met een identiek aanmaaknummer om eventuele kleurverschillen te voorkomen. Het aanmaaknummer is op de onderzijde van de bus vermeld. Roer de verf vóór gebruik goed door, ook langs de randen en over de bodem van het blik om eventuele afgezette bestanddelen, zoals pigment, goed met de verf te vermengen. Roer niet te krachtig om inbrengen van lucht in de verf te voorkomen. Onderhoud Een belangrijk probleem bij onderhoud en overschilderen van bestaand, onbekend schilderwerk is de keuze van de juiste producten. Indien het oppervlak reeds van een verfsysteem is voorzien, dan zijn er in principe twee mogelijkheden:
In principe geldt, dat over een 2 componenten aflak na reinigen en dof schuren met waterproof schuurpapier nr. 320 wel een 1 component aflak kan worden aangebracht, waarbij de noodzakelijke hechting mechanisch wordt verkregen door het opruwen van de ondergrond. Een 2 componenten aflak echter kan in principe nooit over een 1 component product worden aangebracht, aangezien de in de 2 componenten aflak aanwezige oplosmiddelen als afbijt op de 1 component laag zullen inwerken. Bij het overschilderen van bestaande, traditionele teerlagen boven de waterlijn met een hardere verfsoort kan men geconfronteerd worden met twee problemen, nI. doorbloeden van de teer en het zacht worden van de onderlaag bij hogere temperaturen wat craquelé en onthechting van de aangebrachte verf kan veroorzaken. Deze problemen kunnen beperkt worden door het aanbrengen van 2 lagen Sigmarine Enamel. | ||||||||||||